Kunstenaar in twee hoofdsteden

Kunstenaar in twee hoofdsteden

DOOR:

Geertje Dekkers

Pieter Bruegel de Oude maakte gouden tijden mee. ‘Zijn’ steden Antwerpen en Brussel ging het voor de wind, tot aan zijn oude dag.

Brussel moest op de kaart gezet, vonden vijftiende-eeuwse bestuurders. De tijden veranderden en de stad kon daarvan profiteren door een politiek centrum te worden, een magneet voor hoge adel die er met geld zou strooien. En dus moest Brussel aantrekkelijk worden voor de Bourgondische hertogen, edellieden met Franse roots die in de Nederlanden de ene na de andere titel verwierven en zo steeds meer macht kregen. Als zij in Brussel zouden neerstrijken, zouden rijkdom en macht voor de stad vanzelf volgen.

Om de hoge heren te lokken tastte het bestuur van Brussel in 1452 flink in de stadskas. Het financierde de bouw van de Aula Magna of ‘Grote Sale’ bij het Brusselse paleis op de Coudenberg. Met een grondoppervlak van veertig bij ruim zestien meter, een bijpassende imposante hoogte en 22 schoorstenen was het gebouw geschikt voor ontvangsten en feesten op niveau. 

De investering had succes: de Bourgondische hertog Filips de Goede koos vaak voor Brussel. En in latere generaties zou de stad het onbetwiste politieke centrum worden van de Lage Landen, met alle voordelen van dien voor de Brusselaars. Het hof gaf de gehoopte impuls aan economie, cultuur en kunsten.

Centralisatiepolitiek

Dat Brussel zo belangrijk zou worden, lag allerminst vast toen ambachtslieden begonnen met de bouw van de Aula Magna. En ook de toekomst van de Lage Landen als geheel was toen verre van zeker. In de hoge Middeleeuwen hadden Holland, Zeeland, Vlaanderen, Brabant en de andere gewesten bij de Noordzee grotendeels onafhankelijk geopereerd. Maar vanaf de veertiende eeuw hadden de Bourgondische hertogen vanuit het zuiden steeds meer gebieden in handen gekregen. Zij begonnen de gewesten tot een politieke eenheid te smeden.

Bij die ontwikkeling van unificatie sloten de ambitieuze Brusselaars aan toen ze investeerden in de Aula Magna. Want bij een politieke eenheid hoort een centrum, en dat moest dus Brussel worden. De doorbraak van de stad werd definitief onder de Habsburgers, die via huwelijkspolitiek de macht in de Lage Landen overnamen van de Bourgondiërs in het laatste kwart van de vijftiende eeuw.

Boven het complex torent het dak van de Aula Magna uit | Jan Brueghel de Jonge (1601-1678), Het Paleis op de Koudenberg ca. 1627, Museo del Prado, Madrid.

Een telg uit de Habsburgse familie maakte op 5 januari 1515 zijn opwachting in de Aula Magna voor een plechtige bijeenkomst. De jongen was nog net geen vijftien jaar oud, maar werd die dag ‘mondig’ verklaard. Voortaan had hij, Karel V, het zelfstandig voor het zeggen in de Habsburgse Nederlanden.

Brussel zou voor Karel – die ook keizer werd van het Duitse Rijk en koning van Spanje – een belangrijke thuisbasis zijn. De verenigingspolitiek van de Bourgondiërs zette hij door: hij zou nieuwe Nederlanden toevoegen aan zijn bezittingen, tot hij in 1543 met Gelre de verzameling compleet zou maken. En hij zou zijn best doen alle Nederlanden tot een politiek geheel te maken. Zo zou hij in 1549 bepalen dat ze voortaan allemaal samen moesten worden overgeërfd. 

Wat Karel betreft, werd het hele gebied vanuit Brussel aangestuurd. Dus zoals het stadsbestuur in de vijftiende eeuw had gehoopt, wemelde het er in de zestiende eeuw van de hovelingen, en profiteerden de handelaren, ambachtslieden en kunstenaars van het geld dat zij te besteden hadden.

Steden in beweging

Terwijl Brussel uitgroeide tot hofstad met een bloeiend cultureel leven, lag een kilometer of veertig noordelijker de nadruk op de handel. Havenstad Antwerpen was dankzij een strategische ligging booming. Aan de Schelde kwamen handelsroutes samen van Aziatische specerijen, aangevoerd via Portugal, zilver en koper uit Zuid-Duitse gebieden en wollen stoffen uit Engeland. Dat trok kooplieden uit alle windrichtingen, en in hun kielzog deden ambachtslieden en kunstenaars goede zaken. Zij bewerkten Engelse stoffen tot luxe textiel, slepen diamanten, drukten boeken en vulden kerken en chique huizen met wandtapijten en schilderijen.

Pieter Bruegel de Oude, geboren rond 1525, was een van de kunstenaars die in Antwerpen hun klanten vonden. Na een culturele reis naar Italië koos hij in de jaren 1550 voor de havenstad. Hij zou er jarenlang werken – al verhuisde hij in 1563 naar hofstad Brussel. Door toestroom van handelaars en vakmensen als Bruegel werd Antwerpen een metropool: het inwonertal groeide van ongeveer 40.000 eind vijftiende eeuw naar 100.000 in 1566, toen de stad op haar hoogtepunt was. Het was de Gouden Eeuw van Antwerpen.

Zestiende-eeuws Brussel en Antwerpen waren volop in beweging; politiek, economisch, cultureel én religieus. West-Europa was in die jaren grotendeels katholiek, maar sinds de late Middeleeuwen klonk er uit verschillende hoeken kritiek op de kerk van Rome. In de Duitse Landen werd die kritiek rond 1517 het felst verwoord door monnik Maarten Luther, die de kerk wilde hervormen, maar ongepland de voorman werd van een afsplitsing.

Bonaventura Peeters (1614-1652), Zicht op de rede van Antwerpen, Museum Aan de Stroom, Antwerpen.

Kettervervolging

Luthers ideeën drongen ook in de Nederlanden door, en kregen binnen een paar jaar toegewijde aanhangers. In het Sint-Andriesklooster in Antwerpen bijvoorbeeld; daar stonden de augustijner monniken onder leiding van prior Jacob Proost, een leerling van Luther die protestantse ideeën verkondigde.

Voor Karel V waren de kerkhervormers een gruwel. Zijn Nederlanden moesten één zijn, ook in religieus opzicht, en de inwoners dienden trouw te zijn aan de katholieke kerk. Proost zat verkeerd en moest tot de orde worden geroepen. Hij werd gevangengezet in Brussel.

Onder grote druk zwichtte prior Proost. Hij herriep zijn ‘ketterse’ ideeën en kwam vrij – om daarna in Duits gebied alsnog protestants te preken. Maar in zijn Antwerpse klooster had het lutheranisme intussen wortel geschoten, met name bij de monniken Hendrik Voes en Jan van Essen. Ook zij werden ter verantwoording geroepen, maar ze zwichtten niet, ook niet voor de vorm. En dus moesten ze dood: op 1 juli 1523 werden Voes en Van Essen als eerste protestantse ketters verbrand, op de Grote Markt van Brussel. Hun klooster was toen al gesloopt.

De terechtstelling was een poging van het gezag om iets te onderdrukken wat niet te onderdrukken zou blijken. Het protestantisme zou in de volgende decennia alleen maar groeien. Het lutheranisme kreeg gezelschap van het calvinisme, dat onder andere in Antwerpen fanatici aantrok. Karel V deed zijn best een einde te maken aan de ketterij. Hij vaardigde ‛bloedplakkaten’ uit die de doodstraf beloofden aan iedereen die protestantse ideeën verspreidde, maar het mocht niet baten.

Begin van het einde

In 1555 gaf Karel het op. In de Aula Magna liet hij het bestuur over aan zijn zoon, Filips II. Die erfde alle Nederlanden in één keer, zoals Karel het in 1549 had bepaald. Daarnaast kreeg hij de Spaanse kroon. Filips was minstens zo katholiek als zijn vader, en was eveneens niet van plan te buigen voor de ketterij. Ook hij koos voor een strenge aanpak. Dat viel slecht bij veel inwoners van de Nederlanden, ook bij niet-ketters. Bloedplakkaten en ketterverbrandingen waren overdreven hardvochtig, vonden zij.

Karel doet, al leunend op de jonge prins Willem van Oranje, afstand van de troon ten gunste van zijn zoon Filips | Louis Gaillait (1810-1887), De abdicatie van Karel V 1841, Museum voor Schone Kunsten, Doornik.

Daar kwam bij dat Filips de centralisatiepolitiek doorzette die de Bourgondiërs waren begonnen. Brussel trok de teugels aan, tot ergernis van edellieden en bestuurders op lagere niveaus, die gewend waren zelfstandig te opereren. Samen met de kettervervolging vormde de centralisatiepolitiek een vruchtbare bodem voor onvrede, die in loop van de jaren 1560 tot uitbarsting kwam in de Opstand, die Brussel, Antwerpen en de rest van de Nederlanden decennialang in zijn greep zou houden. 

Dat was het begin van het einde van de Gouden Eeuw van Antwerpen, want de havenstad had concurrentie gekregen van andere steden en zou bovendien zwaar te lijden krijgen onder de strijd. Het betekende ook het einde van Brussel als centrum van alle Nederlanden. Voor de kunst en nijverheid was dit alles een zware klap.

Van al die tegenslag zag Pieter Bruegel het begin. Maar de uitkomst hoefde hij niet mee te maken. De Nederlanden waren nog één toen hij in 1569 stierf, in hofstad Brussel. 

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, sturen wij dit magazine naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.

Deel dit artikel: