Het klompenfront: de moeizame strijd van Nederlanders tegen Nederlanders

Het klompenfront: de moeizame strijd van Nederlanders tegen Nederlanders

DOOR:

Elias van der Plicht

In de winter van 1944-1945 lagen aan de grote rivieren nationaal-socialisten en geallieerden tegenover elkaar. Aan beide kanten vochten Nederlandse soldaten mee. Werkelijk effect hadden hun inspanningen niet. Wel sneuvelde een deel van hen – kinderen vaak nog.

Ze waren respectievelijk veertien en zestien toen de oorlog begon. Dankzij hun politiek bewuste moeder begrepen ze begrippen als fascisme en nazisme. Al eind jaren 30 herbergde de familie Oversteegen vluchtelingen in huis, met name communisten. 

De dag van de Duitse invasie herinneren de zussen zich als een vreemde dag. ‘Boven Haarlem vonden er vuurgevechten plaats. Het was het mooiste weer van de wereld, maar bij ons stond de kachel te branden. De hele dag waren we bezig met het verbranden van boeken en schilderijen, die de Duitsers niet mochten vinden’, herinnert Truus zich. Het verzet van Truus en Freddie begon op kleine schaal. Ze verspreidden volksschriften voor soldaten en brachten onderduikers naar Engeland. ‘We liepen met ze mee, hielden de hand vast en deden lekker gek. Alsof we twee meisjes waren in een normale familie, daardoor vielen we niet zo op.’

Later, in Enschede, ontmoetten ze Hannie Schaft. ‘We waren onze moeder nagereisd maar konden niet bij haar blijven. Daarom werkten we, in ruil voor onderdak, in een ziekenhuis. Op een dag kwam onze tante langs, met een meisje. Ze zei dat ze “ons vriendinnetje had meegenomen.”’ Truus wordt bijgevallen door haar zus. ‘We kenden dit meisje helemaal niet en vertrouwden haar niet. Tijdens de kennismaking hadden we onze pistolen onder ons schort verstopt. Uiteindelijk werd de spanning ons te veel en begonnen we maar te lachen.’ Het vreemde meisje bleek Hannie Schaft te zijn en zou later bevriend raken met de zussen en zich bij hen in het bewapend verzet voegen.

Irene Brigade Oefent

‘Executeren!’

De eerste keer dat Nederlandse soldaten tegen Nederlandse soldaten streden, was in België. Een paar bataljons Landstormers, waaronder 160 jongens van de Jeugdstormcompagnie, waren begin september 1944 naar Hasselt gestuurd met de opdracht de oprukkende geallieerden tegen te houden. Bij het Albertkanaal stuitten ze op de Prinses Irene Brigade, Nederlandse soldaten die in Groot-Brittannië waren klaargestoomd voor de strijd. Die waren in augustus 1944 in Normandië geland en rukten samen met de Engelsen en Canadezen noordwaarts op.

In die dagen maakte de Irene Brigade een groot aantal landgenoten tot krijgsgevangenen. Een van de eersten was een Groningse veenarbeider. ‘Executeren!’ klonk het, maar brigadecommandant Albert de Ruyter van Steveninck besloot anders. De kolonel gaf de opdracht de man naar de Britten te brengen. Onderweg schoot zijn bewaker hem alsnog dood.

Enkele dagen daarna bezocht prins Bernhard als kersverse bevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten de Irene Brigade. Geen rekening houdend met het oorlogsrecht wilde de prins 200 Nederlandse SS’ers die in handen van de Amerikanen waren gevallen fusilleren. Weer nam De Ruyter van Steveninck een ander besluit. Dankzij hem behielden heel wat Jeugdstormers hun leven, want onder de krijgsgevangenen zaten tientallen adolescenten. Een aanmerkelijk deel van hen was uit zichzelf naar de andere kant overgelopen. Slechts veertig jongens keerden later die maand terug in Nederland; de rest was gedeserteerd of gevangengezet.

 

Abattoir

Het front verschoof noordwaarts en de gedecimeerde Jeugdstormcompagnie werd na 17 september 1944 ingezet bij de gevechten tijdens Operatie Market Garden. Voor het eerst sinds mei 1940 werd er weer militaire strijd geleverd op Nederlands grondgebied.

Een jonge Nederlandse SS’er beschreef na de oorlog hoe hij de Slag om Arnhem had beleefd. ‘Ik zat naast Pantserknakker [bijnaam groepscommandant] die in hoog tempo een machinegeweer bediende, terwijl ik de banden met patronen geleidde. Voor de Engelsen was nergens dekking. Het was een regelrecht abattoir. Ik kreeg een vieze smaak in mijn mond en dacht: dit is geen oorlog, dit is moord. Ik wist toen nog niet dat die twee hetzelfde zijn. De slachting hield aan. Het stonk naar bloed. Ik kreeg braakneigingen van de spanning en de stank.’

Het was dat najaar een van de weinige keren dat de Landstorm geallieerde troepen een gevoelige slag toebracht. Een groot deel van de Hollandse nationaal-socialistische militaire formatie werd in september uitgeschakeld.

De Prinses Irene Brigade was dicht bij de vurende Landstormers gelegerd. Ze bewaakten bij Nijmegen de Graafse brug. Ook voerde een eenheid in de omgeving verkenningstaken uit. In het Land van Maas en Waal wist de groep achttien Landstormers in te rekenen. Op 28 september kwam het bij Tiel tot gevechten met een eenheid Duitsers en Nederlandse SS’ers. 

Prins Bernhard wil 200 Nederlandse SS’ers fusilleren

Geen idealen

In de daaropvolgende maanden zat het front in Nederland min of meer vast. Voor zowel de geallieerden als de bezetter had het gebied boven de grote rivieren weinig prioriteit. De bevrijders waren gericht op een doorbraak in oostelijke richting, en de Duitsers verschansten zich achter de waterwegen.

De Landstorm trok zich terug in Hoogeveen, Ede, Veenendaal, Den Bosch, Vught en Roermond. De Prinses Irene Brigade werd na Grave ingezet in Oirschot, Tilburg en Breda, om vervolgens de winter op Walcheren en Zuid-Beveland door te brengen. Strikt genomen was de inbreng van de Irene Brigade bij de bevrijding van Nederland gering. Toch voelden de soldaten zich bevrijders.

De scheidslijn tussen dood en leven was dun. Verkenner Ad Raaymakers kon daar in oktober 1944 van getuigen. Hij zat toen in Horssen. ‘Daar hebben we Kroon en Arnoti verloren, twee zeer geliefde kameraden van ons. Dat was erg. We hoorden de hele veldtocht bij elkaar, deden alles samen.’ De dorpsslager had het duo als laatste gesproken: ‘Ik zie de jongens nog lopen bij volle maan. Ik had gehoord dat er een Duitse aanval werd verwacht en waarschuwde ze nog. Hun laatste woorden: “Die zullen we een warm onthaal geven.” Even later waren ze zelf morsdood.’ De lichamen waren tijdens een patrouille doorzeefd met Duitse kogels. Marius Kroon en Raymond Arnoti waren twee van de 45 militairen van de Irene Brigade die het einde van de oorlog niet haalden.

Begin 1945 lag de Landstorm in de Betuwe en op de Veluwe tegenover de Prinses Irene Brigade. Het ‘klompenfront’ noemde een SS’er het. De Landstormers waren benieuwd naar hun Nederlandse tegenstanders. Volgens SS-oorlogsverslaggever Han Reinsberg waren dat ‘strijders zonder ideaal’, zo schreef hij in zijn artikel in Het Nationale Dagblad van 6 februari. Hij had een lid van de Irene Brigade gesproken en die had hem verteld dat wie voor de Brigade had gevochten na de oorlog niet meer in dienst hoefde. Reinsberg: ‘Een zielige vereeniging van geüniformeerde soldij-ontvangers dus, met als eenig ideaal hun eigen ikje. Wij betreuren dit oprecht, want wij waren in ons hart bereid geweest trotsch op onze landgenooten te zijn, ook al vochten ze dan aan den anderen kant.’

 

‘Hongervrijwilligers’

De Landstorm verloor veel meer manschappen dan de Irene Brigade. De Nederlandse SS’ers waren slechts uitgerust met buitgemaakte geweren. De officieren waren veelal gewond geraakte oostfrontstrijders en hun ondergeschikten hadden nauwelijks gevechtservaring.

Er werd die winter wat afgeronseld. SS-bewakers van de kampen in Vught en Amersfoort, in Duitsland tewerkgestelden die het leven in het buitenland beu waren, administratief en onderwijzend personeel van SS-opleidingsscholen: iedere nationaal-socialist die een geweer kon vasthouden werd onder druk gezet zich te melden bij de Landstorm. Ook heel wat zogeheten ‘hongervrijwilligers’ namen dienst. Zij hadden geen politieke overtuiging en wilden niets anders dan de Hongerwinter doorkomen met de rantsoenen van de SS.

In de nationaal-socialistische pers verscheen de ene na de andere wervingsboodschap. Nog op 21 april 1945 deed Mussert in Het Nationale Dagblad een appel op de lezer van de krant, die vanwege de omstandigheden als nooduitgave verscheen en slechts bestond uit één voddig velletje. ‘In deze dagen en weken wordt beslist over het lot van Europa en daarmede ook over het lot van ons Vaderland. Ik roep daartoe op; meldt U bij Landstorm of Weermacht.’ De rekruten kregen amper of geen opleiding en werden almaar ouder en jonger.

 

Jeugdstormers ruimen puin in Haarlem na een bombardement door de RAF, 16 april 1943.

Deserteurs zwaar gestraft

Een van die jongeren hield een dagboek bij. Begin februari had hij zijn baantje als kantoorbediende ingeruild voor een wapen en uniform. Anderhalve maand later stond hij ’s avonds laat te posten in Opheusden, op de grens tussen bezet en bevrijd gebied. ‘Bij een heel dikke boom hoorde ik wat schuifelen. Lekker voelde ik me niet. Ik ben toen achter die boom gaan liggen met mijn geweer in de aanslag. Nou, het was wel een opluchting toen ik zag dat het een grote egel was. Misschien was het de spanning die ik kwijt moest, maar met de kolf van mijn geweer heb ik hem in elkaar geslagen.’

De jongens stonden onder hoge druk en zagen steeds minder heil in doorvechten. De dagboekschrijver beschreef hoe twee Landstormers op 5 april naar de geallieerden waren gegaan, waarna de schuilplaats van de SS’ers met zwaar artillerievuur werd bestookt. ‘Na een uur was het voorbij en toen bleek dat Labriërre en Van Klaver waren gaan stiften. Blijkbaar hadden ze onze stellingen verraden, want evenals wij hadden ook de Zuggefechtsstand en de Kompagniegefechtsstand de volle laag gekregen. Labriërre en Van Klaver zijn zeker overgelopen. Ze hadden een dag daarvoor al zoiets uitgelaten. Het waren ook twee “Brood-Germanen”. Ik had de opmerking niet voor ernst genomen, want er werd wel meer gekankerd.’

Wie deserteerde kon rekenen op de zwaarste straf. Begin april ontvingen de ouders van een 21-jarige Landstormer, die de kogel had gekregen, een brief van zijn Untersturmführer. De jongen had zijn Gruppenführer willen vermoorden, om daarna het steunpunt dat zijn compagnie had bezet aan de Engelsen uit te leveren. ‘Wij hebben veel begrip voor menschelijke ondeugden en zwakheden, voor moord aan kameraden en snood verraad kunnen wij geen begrip toonen. Het is aan U om te onderzoeken, wie de schuld aan dit ongelukkige einde van uw zoon is, gijzelf, de mentaliteit waarin hij is opgevoed, of zijn eigen karakter.’

 

In vijandelijke handen

Dood en verderf waren nooit ver weg. Zeventien jaar was Middelburger Piet Reijnierse toen hij, zoals hij zelf zei, ‘tegen mijn eigen land ging vechten’. ‘We waren allemaal zo jong en onervaren dat onze pelotonscommandant medelijden met ons had. Zelf was hij maar een jaar of vijf ouder dan wij.’ Doodsangsten stond Reijnierse uit. ‘Bij een aanval op een Canadese mitrailleurstelling viel een van mijn kameraden dood naast me neer. Een andere goede vriend sneuvelde kort nadat we samen een aanval hadden overleefd. We zaten in een stelling, het begon mortiergranaten te regenen en hij zei tegen me: “Nou zijn we er geweest, Piet, tabé!”

Toen de kruitdamp optrok, zag ik een hoop zand en stenen bewegen. Mijn vriend kroop eruit en riep: “We leven nog, Piet!”’ Wat later werd een levenloos lichaam weggedragen. Het werd Reijnierse afgeraden, maar toch trok hij de afdekking weg: zijn vriend. Een granaat had diens hoofd verwoest.

De nationaal-socialisten incasseerden grote verliezen. Eind april was de situatie onhoudbaar. ‘De berichten over den strijd in Duitschland zijn allesbehalve vroolijk,’ noteerde de 28-jarige Stabsscharfführer die maand in zijn dagboek. ‘Zuiver naar de kaart te oordelen, kunnen we het bijltje er wel bij neergooien.’ In de daaropvolgende week was het voorbij. ‘Het getij is gekeerd, en ons lot ligt in de handen onzer vijanden.

Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied.
Vijf dagen had het Duitse leger nodig om het Nederlandse leger op de knieën te krijgen. Waarom duurden de gevechten in mei 1940 niet langer? Dit boek kan met recht een standaardwerk worden genoemd over de belangrijkste strijd uit de geschiedenis van het Nederlandse leger.

Gemengde gevoelens over Loes van Overeem